Spring naar inhoud

Financiën

5.1 KENGETALLEN

Studenten bekostigd, teldatum

  2018 2019 2020*
Aantal studenten bol 9.575 9.579 9.726
Aantal studenten bbl 3.624 3.789 3.855
Totaal aantal studenten 13.199 13.368 13.581
       
Aantal studenten niveau 1 227 226 215
Aantal studenten niveau 2 2.011 2.003 2.071
Aantal studenten niveau 3 3.004 3.008 3.056
Aantal studenten niveau 4 7.957 8.131 8.239
Totaal aantal studenten 13.199 13.368 13.581

Medewerkers** in fte, gemiddeld

  2018 2019 2020
Onderwijs 739,81 761,80 765,66
Management 50,27 49,20 55,04
Advies 65,79 65,11 54,76
IT 30,56 31,73 35,50
Ondersteuning 160,88 161,20 174,68
Uitvoering 54,69 56,39 55,87
Totaal personeel in fte 1.102,00 1.125,43 1.141,51

Categorieën

  2018 2019 2020
Solvabiliteit I 0,68 0,67 0,66
Solvabiliteit II 0,81 0,82 0,80
Liquiditeit (current ratio) 1,83 1,82 1,31
Rentabiliteit 1,99% -0,10% 0,25%
Weerstandsvermogen 45,13% 43,86% 43,49%
Huisvestingsratio 11,64% 10,88% 10,90%
Signaleringswaarde bovenmatig eigen vermogen 0,61 0,57 0,53
Personeelslasten / totaal baten plus financiële baten 72,05% 75,41% 76,06%
Investeringen huisvesting / totaal baten plus financiële baten 2,92% 4,32% 10,86%
Investeringen inventaris en apparatuur / totaal baten plus financiële baten 2,92% 3,85% 2,48%

De onderwijsinspectie hanteert vanaf verslagjaar 2020 de ‘signaleringswaarde voor mogelijk bovenmatig eigen vermogen’. De signaleringswaarde geeft een indicatie in hoeverre een onderwijsinstelling mogelijkerwijs te veel eigen vermogen  heeft voor een gezonde bedrijfsvoering. Een getal boven de 1 duidt op mogelijk bovenmatig eigen vermogen.

  2018 2019 2020
Liquiditeit 1,83 1,82 1,31
Solvabiliteit 1 0,68 0,67 0,66
Solvabiliteit 2 0,8100000000000001 0,82 0,8
Rentabiliteit 0,02 -0,001 0,0025
  2018 2019 2020
Liquiditeit 1,83 1,82 1,31
Solvabiliteit 1 0,68 0,67 0,66
Solvabiliteit 2 0,81 0,82 0,80
Rentabiliteit 2,00% -0,10% 0,25%

5.2 RESULTAAT

Staat van baten en lasten

(bedragen: x 1)

  2019 2020 2020
  Realisatie Begroting Realisatie
Baten EUR EUR EUR
Rijksbijdragen 107.166.910 111.200.563 110.901.852
Overige overheidsbijdragen en – subsidies 571.738 515.000 623.887
College-, cursus-, les- en examengelden 2.440.262 2.446.946 2.431.032
Baten werk in opdracht van derden 3.865.239 2.928.500 2.465.630
Overige baten 2.776.256 2.295.806 2.073.580
Totaal baten 116.820.405 119.386.815 118.495.981
       
Lasten      
Personeelslasten 88.092.046 88.420.298 90.133.092
Afschrijvingen 9.493.479 9.817.129 9.707.805
Huisvestingslasten 7.806.447 7.854.750 7.762.054
Overige lasten 11.516.729 12.416.813 10.496.070
Totaal lasten 116.908.701 118.508.990 118.099.021
       
Saldo baten en lasten uit gewone bedrijfsvoering -/- 88.296 877.825 396.960
Financiële baten en lasten -/- 23.246 -/- 65.500 -/- 100.876
Buitengewoon resultaat 0 0 0
Totaal resultaat -/- 111.542 812.325 296.084

Analyse realisatie - begroting

  • Het totaalresultaat van 2020 bedraagt € 296.000 en is hiermee € 0,5 miljoen lager dan het begroot resultaat van € 812.000.
  • De rijksbijdragen zijn € 0,3 miljoen lager dan begroot. Ten opzichte van de begroting resulteerde de voorjaarsnota van het kabinet in een stijging van de normatieve bekostiging met € 0,5 miljoen. De loon- en prijsbijstelling 2020 bedroeg 3,0%. In de begroting is rekening gehouden met een loon- en prijsbijstelling van 2,7%. De overige subsidies OCW zijn € 0,8 miljoen minder dan begroot. Dit wordt met name veroorzaakt doordat ten onrechte is geanticipeerd op een continuering van de regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv.
  • De baten werk in opdracht van derden, met name contracten ten behoeve van inburgeringsvoorzieningen, zijn vanwege corona € 0,5 miljoen lager dan begroot.
  • De overige baten zijn € 0,2 miljoen lager dan begroot. Tegenover hogere baten detachering personeel van € 0,1 miljoen staan lagere kantineopbrengsten veroorzaakt door corona van € 0,4 miljoen.
  • De personeelslasten zijn € 1,7 miljoen hoger dan begroot. De lonen en salarissen zijn € 2,6 miljoen hoger dan begroot. In de begroting is onvoldoende rekening gehouden met de cao-loonstijging per 1 juli 2020. De formatie is toegenomen met 16 fte, terwijl een uitbreiding vanwege de stijging van het studentenaantal met 8 fte was begroot. Mede door de cao-loonstijging zijn de dotaties personele voorzieningen € 0,4 miljoen hoger dan begroot. Er is voor € 0,1 miljoen meer dan begroot gebruikgemaakt van personeel dat niet in loondienst is voor uitvoering regulier onderwijs en voor werk in opdracht van derden. Verder zijn de overige personele lasten € 1,0 miljoen mede vanwege corona lager dan begroot: professionalisering – € 0,4 miljoen, ontslag- en transitievergoedingen - € 0,5 miljoen en reiskosten - € 0,1 miljoen.
  • De overige lasten zijn € 2,0 miljoen lager dan begroot. Vanwege corona zijn met name de leerlingkosten € 0,6 miljoen, externe legitimering € 0,2 miljoen, reprokosten € 0,1 miljoen, onderwijsinnovatie € 0,2 miljoen, kantinekosten € 0,4 miljoen, IT-kosten € 0,2 miljoen en PR en communicatie € 0,3 miljoen lager dan begroot.
  • De totale baten bedragen € 118,5 miljoen en de totale lasten € 118,2 miljoen. Dit leidt tot een resultaat van € 0,3 miljoen.

Analyse 2019 - 2020

Ten opzichte van 2019 zijn de rijksbijdragen met € 3,7 miljoen gestegen. Dit wordt positief beïnvloed door een stijging van het macrobudget mbo met € 103,2 miljoen, een stijging van het marktaandeel van 2,53% naar 2,56%, meer rijksbijdrage VAVO, meer subsidie Kwaliteitsafspraken en de NPO subsidie Inhaal- en ondersteuningsprogramma’s. Hier tegenover staan minder wachtgeld, meer inhouding cursusgeld, geen resultaatafhankelijke bekostiging vsv en minder zij-instroom.

5.3 BALANS

Balans

(bedragen: x 1)

  31/12/19 31/12/20
Activa EUR EUR
Vaste activa    
Immateriële vaste activa 2.506.074 1.772.376
Materiële vaste activa 48.461.269 55.829.587
Financiële vaste activa 1 1
Vaste activa, totaal 50.967.344 57.601.964
     
Vlottende activa    
Voorraden 83.133 62.302
Vorderingen  4.024.998 2.166.971
Liquide middelen  21.701.942 18.169.431
Vlottende activa, totaal 25.801.073 20.398.704
Activa, totaal 76.777.417 78.000.668
     
Passiva    
Eigen vermogen  51.235.399 51.531.483
Algemene reserve  38.448.035 39.170.007
Bestemmingsreserves 12.787.319 12.361.431
Overige reserves / fondsen 45 45
Voorzieningen 11.385.950 10.900.550
Kortlopende schulden  14.156.068 15.568.635
Passiva, totaal 76.777.417  78.000.668
  • Het resultaat van € 0,3 miljoen is toegevoegd aan het eigen vermogen.
  • De vaste activa zijn, mede vanwege de investeringen in de nieuwbouw locatie Onderwijsboulevard, toegenomen met € 6,6 miljoen.
  • Doordat de dotaties lager zijn dan de onttrekkingen, nemen de voorzieningen af met € 0,5 miljoen.
  • De mutatie netto werkkapitaal bedraagt derhalve – € 6,8 miljoen.
  • De kasstroom uit operationele activiteiten bedraagt € 12,8 miljoen.
  • De kasstroom uit investeringsactiviteiten bedraagt € 16,3 miljoen.
  • De liquide middelen zijn per saldo met € 3,5 miljoen afgenomen.

5.4 TREASURY

Het treasurybeleid van het Koning Willem I College is gebaseerd op het treasurystatuut van de stichting. Treasurymanagement vond tot en met 30 juni 2016 plaats conform de ‘Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010’ en vindt sinds 1 juli 2016 plaats conform de ‘Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016’. Op het Koning Willem I College was in 2020, net als in voorgaande jaren, geen sprake van beleggen en belenen. Het college staat op het standpunt dat publieke middelen worden verstrekt voor het primaire proces, te weten het verzorgen van onderwijs. Het college brengt dit proces niet in gevaar door het aangaan van risico’s die daar niet direct betrekking op hebben, zoals het risicovol beleggen van tijdelijke niet bestede publieke middelen.

5.5 CONTINUÏTEITSPARAGRAAF

In deze paragraaf schetsen we op hoofdlijnen het beleid van het Koning Willem I College voor de komende jaren. De kwalitatieve toelichting, aangevuld met een aantal kwantitatieve indicatoren, geeft gezamenlijk inzicht in de continuïteit van het Koning Willem I College voor de komende vijf jaren.

In onderstaande tabel geven we de verwachte ontwikkeling weer van het aantal bekostigde studenten in de beroepsopleidingen in de periode 2020 tot en met 2025. De aantallen 2020 baseerden we op de terugmelding bekostigingsgegevens d.d. 12 maart 2021 met kenmerk 2021/2/1785576. De prognoses voor de jaren na 2020 bepaalden we aan de hand van de ‘DUO-prognose tool’.

Ontwikkeling studentenaantallen

jaar 2020 2021 2022 2023 2024 2025
aantal ongewogen bekostigde studenten 13.581 13.230 12.903 12.622 12.421 12.264
procentuele ontwikkeling 1,59% -1,90% -2,47% -2,18% -1,59% -1,26%

In het Geïntegreerd jaardocument 2019 was de verwachting dat de daling van het aantal studenten in het beroepsonderwijs in 2020 zou inzetten. We gingen uit van -0,05%. In 2020 bleek van een daling echter nog geen sprake te zijn. We nemen zelfs een stijging van 1,59% van het aantal bekostigde studenten waar. We nemen de stijging is waar in zowel de bol als de bbl.

We verwachten dat een daling van het aantal studenten de komende jaren op basis van de demografische ontwikkelingen vanaf 2021 merkbaar is. Deze daling is gebaseerd op de MBO-planningstool van DUO. De MBO-planningstool is een dashboard dat de aantallen studenten per instelling voorspelt. Deze instellingsprognose is gebaseerd op de referentieramingen OCW. Dat wil zeggen: de totale aantallen geprognotiseerde mbo-studenten komen overeen met de totalen die voorspeld zijn door de referentieraming. De prognose per instelling wordt berekend door historische markaandelen van verschillende instellingen hierop te projecteren.

Ontwikkeling personele bezetting

In onderstaande tabel geven we weer hoe de begrote formatie per personeelscategorie zich in 2020 tot en met 2025 ontwikkelt, afgezet tegen de inzet ultimo 2020:

Formatieontwikkeling

Personeelscategorie (in fte) 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Bestuur / Management 60,1 64,7 64,7 64,7 64,7 64,7
Personeel primair proces 780,5 793,7 793,7 793,7 793,7 793,7
Ondersteunend personeel 321,6 320,1 320,1 320,1 320,1 320,1
Totale formatie 1.162,2 1.178,5 1.178,5 1.178,5 1.178,5 1.178,5

De meerjarenbegroting van het college stelden we op op basis van de effecten van de OCW-referentieraming 2020 op de trendmatige aanpassing van de bekostiging mbo. We veronderstellen dat het aantal medewerkers gelijk blijft. Gezien de verwachte dalende studentenaantallen is de organisatie zich ervan bewust dat het nodig is om meer in scenario’s te gaan denken en zet daar vanaf de begroting 2021 stappen in. Op die manier zijn we beter in staat te anticiperen op de ontwikkelingen die op ons afkomen.

Verder denken we na om verantwoordelijkheden lager in de organisatie te beleggen; dat is een belangrijk onderdeel binnen de thema’s organisatieontwikkeling en leiderschapsontwikkeling van de Ontwikkelagenda die we eind 2019 met het totale management opstelden. Dat betekent onder andere dat we gaan onderzoeken hoe we de begroting meer ‘bottom up’ kunnen opbouwen en hoe we de afdelingsdirecteuren meer inzicht kunnen geven in de prestaties van hun afdeling.

Balans

In het meerjarenplan 2018-2021 ‘Ambitie, Aandacht, Ambiance’ stelden we strategische doelen vast. Eind 2020 stelden we, ter verdere uitwerking hiervan, in afstemming met het totale middenmanagement een ontwikkelagenda op, met als thema’s organisatieontwikkeling, onderwijsontwikkeling, leiderschapsontwikkeling en cultuurontwikkeling.

In de meerjarenbegroting maakten we extra financiële ruimte vrij om in alle veranderslagen die in het meerjarenplan en de Ontwikkelagenda zijn beschreven te kunnen investeren. In de meerjarenbegroting hielden we rekening met het tijdpad van de prioritering van de strategische activiteiten. We hebben geen externe financiering nodig. Alle reguliere en strategische activiteiten kunnen we financieren uit de reguliere kasstromen, zonder dat er sprake is van interen op het eigen vermogen.

De verwachte mutaties in de algemene reserve hebben uitsluitend betrekking op het jaarresultaat in de exploitatie. Het niveau van de voorzieningen is ruim afdoende. Er zijn personele voorzieningen voor jubilea, duurzame inzetbaarheiden (bovenwettelijke) wachtgeldverplichtingen gevormd. Ter egalisatie van uitgaven voor groot planmatig onderhoud vormden we een onderhoudsvoorziening gebouwen. De voorzieningen zijn gewaardeerd tegen de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen.

Balans

(bedragen: x 1)

  31/12/20 31/12/21 31/12/22 31/12/23 31/12/24 31/12/25
  Realisatie Prognose Prognose Prognose Prognose Prognose
Activa EUR EUR EUR EUR EUR EUR
Vaste activa            
Immateriële vaste activa 1.772.376 1.755.042 1.836.406 1.942.535 1.983.735 1.968.235
Materiële vaste activa 55.829.587 63.373.038 58.022.886 54.488.365 51.118.921 48.327.816
Financiële vaste activa 1 1 1 1 1 1
Vaste activa, totaal 57.601.964 65.128.081 59.859.293 56.430.901 53.102.657 50.296.052
             
Vlottende activa            
Voorraden 62.302 62.303 62.303 62.303 62.303 62.303
Vorderingen 2.166.971 3.311.807 3.311.807 3.311.807 3.311.807 3.311.807
Effecten 0 0 0 0 0 0
Liquide middelen 18.169.431 4.560.501 6.204.615 8.399.858 8.659.168 11.443.070
Vlottende activa, totaal 20.398.704 7.934.611 9.578.725 11.773.968 12.033.278 14.817.180
             
Activa, totaal 78.000.668 73.062.692 69.438.018 68.204.869 65.135.935 65.113.232
             
Passiva            
Eigen vermogen 51.531.483 51.529.123 48.435.581 47.219.665 45.627.537 45.045.505
Algemene reserve 39.170.007 39.167.647 36.074.105 34.858.189 33.266.061 32.684.029
Bestemmingsreserves 12.361.431 12.361.431 12.361.431 12.361.431 12.361.431 12.361.431
Overige reserves en fondsen 45 45 45 45 45 45
Voorzieningen 10.900.550 5.964.934 5.433.802 5.416.569 3.939.763 4.499.092
Langlopende schulden 0 0 0 0 0 0
Kortlopende schulden 15.568.635 15.568.635 15.568.635 15.568.635 15.568.635 15.568.635
Passiva, totaal 78.000.668 73.062.692 69.438.018 68.204.869 65.135.935 65.113.232

Staat van baten en lasten

(bedragen: x 1)

  01-01-2020 t/m 31-12-2020 01-01-2021 t/m 31-12-2021 01-01-2022 t/m 31-12-2022 01-01-2023 t/m 31-12-2023 01-01-2024 t/m 31-12-2024 01-01-2025 t/m 31-12-2025
  Realisatie Prognose Prognose Prognose Prognose Prognose
Baten EUR EUR EUR EUR EUR EUR
Rijksbijdragen 110.901.852 116.027.394 113.206.117 113.077.247 112.614.887 112.590.344
Overige overheidsbijdragen en - subsidies 623.887 484.200 484.200 484.200 484.200 484.200
College-, cursus-, les- en examengelden 2.431.032 2.090.000 2.090.000 2.090.000 2.090.000 2.090.000
Baten werk in opdracht van derden 2.465.630 2.050.000 2.050.000 2.050.000 2.050.000 2.050.000
Overige baten 2.073.580 1.893.352 1.893.352 1.893.352 1.893.352 1.893.352
Totaal baten 118.495.981 122.544.946 119.723.669 119.594.799 119.132.439 119.107.896
             
Lasten            
Personeelslasten 90.133.092 92.012.950 92.012.950 91.835.850 91.835.850 91.835.850
Afschrijvingen 9.707.805 10.466.883 11.368.788 9.528.392 9.428.244 8.906.605
Huisvestingslasten 7.762.054 7.855.250 7.855.250 7.855.250 7.855.250 7.855.250
Overige lasten 10.496.070 12.097.723 11.498.223 11.498.223 11.498.223 10.976.223
Totaal lasten 118.099.021 122.432.806 122.735.211 120.717.715 120.617.567 119.573.928
             
Saldo baten en lasten uit gewone bedrijfsvoering 412.191 112.141 -/- 3.011.542 -/- 1.122.916 -/- 1.485.128 -/- 466.032
Financiële baten en lasten -/- 100.876 -/- 114.500 -/- 82.000 -/- 93.000 -/- 107.000 -/- 116.000
Buitengewoon resultaat 0 0 0 0 0 0
Totaal resultaat 296.084 -/- 2.360 -/- 3.093.542 -/- 1.215.916 -/- 1.592.128 -/- 582.032

In de meerjarenbegroting gingen we uit van de effecten van de OCW-referentieraming 2020 op de trendmatige aanpassing van de bekostiging mbo. 

De bestaande huisvesting wordt conform het meerjarenplan 2018-2021 ‘Ambitie, Aandacht, Ambiance’ op een hoger gebruikers- en duurzaamheidsniveau gebracht en gemoderniseerd. De benodigde bouwkundige investeringen namen we op in de meerjarenbegroting.

Het merendeel van de gebouwen is in eigendom. Voor groot onderhoud vormden we op basis van een meerjarenonderhoudsplan een toereikende realistische voorziening groot onderhoud. Vooralsnog kan de meerjarenprognose zoals in bovengenoemde staat van baten en lasten als beleidsarm worden beschouwd. Dit in verband met het zonder meer extrapoleren van personeels-, huisvestings- en afschrijvingslasten zonder dat hier nadere beleidsmatige uitgangspunten aan ten grondslag hebben gelegen.

Voor de Baten werk in opdracht van derden wordt in de meerjarenbegroting een stabiele lijn verondersteld.

De afgelopen jaren breidden we de locatie Onderwijsboulevard 3 uit en moderniseerden deze. De gebouwen stammen uit 1989 en voldoen niet meer aan de collegenormen en de huidige normen voor klimaatbeheersing en luchtkwaliteit. Daarnaast ontstond door de gestage groei van het leerlingaantal van de afgelopen jaren en de verschuiving van bbl-studenten naar de bol-opleidingen de behoefte aan meer ruimte. Dat losten we voor de korte termijn op door het huren van een aantal locaties in de stad. Op lange termijn is dat niet in overeenstemming met het collegebeleid van centralisering en een efficiënte bedrijfsvoering op twee campussen.

Tevens ontwikkelen we nieuwe onderwijsconcepten, zoals de interdisciplinaire projecten in HTA. Daarvoor is een aanpassing van de traditionele onderwijsruimtes nodig.

Daarom is besloten om de campus Onderwijsboulevard naast de modernisering, ook uit te breiden met ongeveer 10.000 m² Bruto Vloer Oppervlak (BVO). Uitgangspunt daarbij is dat we dit doen met eigen middelen.

Door de omvang is gekozen voor realisatie in 3 fasen. Fase A wordt uitgevoerd in 2019-2021 en bestaat uit een uitbreiding door het bouwen van een nieuw entreegebouw van circa 5.000m² BVO, het maken van een binnenstraat die het entreegebouw met het bestaande gebouw verbindt en het maken van een atrium op de bestaande binnenplaats. De gevels van het bestaande gebouw die door het maken van binnenstraten aan deze binnenruimte komen te liggen, pakken we ook aan.

Met deze uitbreiding moet de uitstraling en zichtbaarheid van het Koning Willem I College aan de Onderwijsboulevard sterk verbeteren. In de fasen B en C zoeken we aansluiting op de directe omgeving, met een duidelijk adres aan de Onderwijsboulevard en het voorliggende plein, meer openheid en verbinding met het Westerpark aan de zij- en achterkant van de campus.

In 2021 wordt de nieuwbouw opgeleverd.

Effect van corona

De uitbraak van corona eind februari 2020 heeft een enorme impact op ons allemaal. De wereldwijde pandemie leidt tot ongekende omstandigheden. De effecten van deze crisis op de lange termijn ontwikkelingen op globaal en nationaal niveau zijn op dit moment nog niet duidelijk. Dit alles legt een zware druk op de organisatie en de medewerkers. In snel tempo ontwikkelen van digitale lesmethodes, digitaal lesgeven en nog tal van initiatieven die binnen de organisatie zijn uitgerold, hebben veel energie en aanpassingsvermogen gevergd van onze medewerkers. We streven naar een zo adequaat mogelijke uitvoering van onze taak als onderwijsinstelling.

Gezien de snelheid en onduidelijkheid van de ontwikkelingen rondom deze crisis is het niet mogelijk om deze financiële gevolgen op dit moment betrouwbaar te kwantificeren. Dit is onder andere afhankelijk van de duur, de ontwikkeling van de verspreiding van het virus en maatregelen vanuit het kabinet. Op basis van de beschikbare informatie verwacht de instelling op korte termijn geen continuïteitsrisico. De liquiditeits- en solvabiliteitspositie is solide genoeg, gezien de omvang van de 1e geldstroommiddelen van de totale baten.

De financiële impact van corona is derhalve voor de totale baten, het resultaat en de liquiditeit op de korte termijn zeer beperkt, omdat de financieringsstromen zijn gegarandeerd. Met de hiervoor genoemde (en eventuele andere) mogelijke financiële effecten als gevolg van corona hielden we in de voorliggende meerjarenbegroting geen rekening.

De impact van het pakket aan maatregelen dat diverse overheden namen om het virus te bestrijden, hebben grote impact op de instelling. Zowel onderwijskundig als voor de bedrijfsvoering. 

De ernst en duur van de coronavirus-uitbraak is op dit moment erg onzeker en daarmee ook de effecten die het heeft op de instelling. Voorop staat dat we alle mogelijke maatregelen nemen om de medewerkers, leerlingen en studenten te beschermen en risico’s zo veel mogelijk te beperken of te mitigeren. Hierbij waarborgen we de continuïteit van de instelling zoveel als mogelijk.

We troffen meerdere maatregelen om de verspreiding van het virus zoveel mogelijk te remmen. De belangrijkste maatregelen:

  • Sinds 16 maart 2020 is het college gesloten voor onderwijsactiviteiten. Het onderwijs wordt sindsdien op afstand verzorgd en periodiek worden versoepelende maatregelen onderzocht en eventueel ingepast (bijvoorbeeld de opvang van kwetsbare jongeren). Het Servicedocument dat door de MBO Raad werd verstrekt is voor ons daarin leidend. We hebben daarbij goede afstemming met de ondernemingsraad en de studentenraad.
  • Bbl-onderwijs dat bij bedrijven plaatsvindt kan doorgaan, op voorwaarde dat de ontvangende organisatie dat toestaat, handelt conform de richtlijnen van de overheid en het onderwijs plaatsvindt op een wijze die past bij de richtlijnen van RIVM en GGD. De beroepspraktijkvorming in de bol gaat door, tenzij (1) anders volgt uit overheidsrichtlijnen, brancherichtlijnen of besluiten van mbo-scholen zelf, of als (2) het leerbedrijf de activiteiten zelf staakt of de student niet meer wil of kan begeleiden. Voor stagiaires in het buitenland is de stage voortijdig beëindigd; de stagiaires keerden terug naar Nederland.
  • In deze uitzonderlijke situatie kunnen niet alle geplande examens volgens de gebruikelijke procedure of volgens het examenplan plaatsvinden. Daarbij blijft het van belang dat ook nu de civiele waarde van het diploma is geborgd. Het bevoegd gezag, de onderwijsteams en de examencommissies nemen (conform de richtlijnen in de handreiking verantwoord diplomabesluit) de verantwoordelijkheid om tot verantwoorde keuzes en diplomabesluiten te komen. In de huidige situatie kan een andere aanpak worden gevolgd voor studenten van wie het team verwacht dat zij vóór 31 december 2020 kunnen diplomeren. Deze studenten krijgen prioriteit: voor hen vindt de examinering en de voorbereiding hierop zoveel mogelijk doorgang.
  • Alle reizen naar het buitenland zijn tijdelijk verboden.
  • Alle medewerkers werken zoveel mogelijk vanuit huis, zolang als dit kan.

We volgen hierbij de adviezen van het RIVM.

Nationaal Programma Onderwijs: steunprogramma voor herstel en perspectief

In de meerjarenbegroting hielden we geen rekening met de extra gelden vanuit het steunprogramma NPO.

Het kabinet besloot pas begin 2021 om extra te investeren in onderwijs. Het Nationaal Programma Onderwijs helpt leervertragingen in te halen en het onderwijs te verbeteren.

Intern risicobeheersings- en controlesysteem

Het Koning Willem I College beschikt over een managementdashboard waarmee we de belangrijkste risico’s in beeld brengen. Het dashboard bevat actuele informatie over studenten, personeel, studiesucces, financiën en tevredenheid van studenten. Daarnaast voert het college periodiek kwaliteits-, handhavings- en tevredenheidsonderzoeken uit op basis waarvan we risico’s in beeld brengen, zodat we adequate kunnen bijsturen. Voor de financiële sturing maken we gebruik van een (meerjaren)begroting en taakstellende budgetten voor activiteiten, investeringen en voorzieningen.

Een belangrijk instrument in het kwaliteitszorgsysteem is de interne audit, waarmee we bij de onderwijsafdelingen de onderwijskwaliteit in beeld brengen. In 2019 gaven we de eerst aanzet om tot een bijstelling van de auditsystematiek te komen. Daarbij vervangen we het instrument BONE-BVE. Ook zijn er de jaarlijkse accountantscontroles en voerde organisatieadviesbureau Berenschot in 2014 een omgevingsanalyse uit. Daardoor hebben we zicht op de belangrijkste risico’s betreffende onderwijskwaliteit, financiën, demografische ontwikkelingen en (provinciale) economische ontwikkelingen.

Omgaan met risico’s (risicomanagement) is een belangrijk onderdeel van het op een beheerste en weloverwogen manier realiseren van de strategische doelen uit het meerjarenplan. Risico’s zijn geen zaken die we altijd moeten vermijden. Het is echter wel van belang dat we ze in beeld hebben en bewuste keuzes maken over de beheersing ervan.

De afgelopen jaren zetten we stappen om het risicomanagement verder te verbeteren met als doel een stelsel van risicobeheersing te ontwikkelen en te verankeren in de planning-en-controlcyclus. In 2017 brachten we in beeld welke beheersmaatregelen we al namen, hoe effectief deze zijn en op welke risico’s nog aanvullende of nieuwe maatregelen nodig zijn.  De expertisegroepen zetten maatregelen uit. Ook in de Ontwikkelagenda, die we in het najaar van 2019 opstelden, namen we acties op om de gesignaleerde risico’s te beheersen. Vanuit diezelfde Ontwikkelagenda hebben we bovendien ingezet op een integrale verantwoordelijkheid van onze directeuren en daarmee ook op een versterking van het financiële bewustzijn en de financiële vaardigheden binnen de organisatie.

Beschrijving van de belangrijkste risico's en onzekerheden

Verkokering van de organisatie

Om succesvol door te kunnen pakken op het gebied van procesmanagement hebben we goede prioritering en afstemming nodig. Op dit moment vindt er nog te weinig interactie plaats tussen diensten onderling en tussen diensten en afdelingen. Door het leggen van de juiste verbindingen in de organisatie maken we optimaal gebruik van aanwezige expertise.

Transparantie van de organisatie

De genomen besluiten die rechtstreeks raken aan de kernwerkzaamheden voor onderwijs en examinering zijn onvoldoende bekend bij diegenen die ermee moeten werken. We actualiseren beleid niet altijd. Specifieke kennis zit soms bij één of een beperkt aantal medewerkers. Het risico bestaat dat hierdoor belangrijke informatie en sturing verloren gaan, of dat we werken met onjuiste of verouderde regelingen en informatie.

Stagnatie van de organisatie

Het Koning Willem I College staat bekend als een innovatief college. Daarnaast noodzaakt de snel veranderende samenleving, nieuwe wet- en regelgeving en stevige overheidssturing dat de organisatie zich snel kan aanpassen aan veranderende omstandigheden. Het is daarom van belang stevig op innovatie in te blijven zetten en dit te stimuleren; zowel centraal gestuurd als ook op de werkvloer in de reguliere kernwerkzaamheden.

Delen van didactische en pedagogische kennis

Het is zorgwekkend dat mbo-studenten aangeven onvoldoende uitgedaagd te worden door leraren. Dit blijkt uit landelijke onderzoeken zoals het ROA-onderzoek en de JOB-monitor. Volgens de JOB-monitor vindt gemiddeld 50% van de mbo-studenten dat leraren hen meer kunnen motiveren. Dit onderstreept het belang om te blijven investeren in didactisch en pedagogisch handelen en kennisdeling, zodat leraren in wisselende (complexe) situaties passend kunnen handelen.

Teamontwikkeling

Binnen de opleidingsteams bestaat het risico dat scholing en teamontwikkelingsactiviteiten in de drukte van de dagelijkse praktijk te weinig prioriteit krijgen. Dit blijkt uit de bevindingen tijdens de verschillende bijeenkomsten, maar ook uit de cijfers van de dienst HR.

Kwaliteit van het management

Het Koning Willem I College wil verantwoordelijkheden laag in de organisatie beleggen. Dit stelt hoge eisen aan de kwaliteit van het management. De huidige, complexe economische en maatschappelijke ontwikkelingen vragen andere competenties van leidinggevenden. Waar eerder een meewerkende, inhoudsdeskundige en probleemoplossende leidinggevende nodig was, vragen moderne organisaties om een analytische, verbindende en integraal denkende facilitator.

Instroom

Uit landelijke cijfers over de ontwikkeling van de omvang van de studentenpopulatie in het mbo blijkt voor de komende jaren een risico voor de instroom. De totale populatie van mbo-studenten kan daardoor in de komende periode dalen. Het verkleinen van de totale populatie heeft gevolgen voor de lumpsum en dus voor de bekostiging.

Branche-ervaring leraren

Branche-ervaring helpt bij het overdragen van beroepskennis en -vaardigheden aan studenten. Het wordt echter steeds lastiger om goede leraren uit de praktijk te werven. Enerzijds spelen de hoge eisen die aan een bevoegdheid worden gesteld een rol. Hierdoor kan het voor vakmensen moeilijk zijn om een bevoegdheid te verkrijgen. Een hbo-diploma is vereist voor een leraar. Anderzijds spelen de arbeidsvoorwaarden een rol. Een functie als instructeur kan bijvoorbeeld vaak niet op tegen de arbeidsvoorwaarden van het bedrijfsleven. Ook is er in sommige branches simpelweg te weinig aanbod op de arbeidsmarkt, waardoor er ook minder aanbod is van leraren. Los daarvan blijft het van belang dat leraren van het college hun branchekennis onderhouden door middel van een bedrijfsstage en regelmatig contact met het werkveld.

Samenwerking leraren-bedrijfsleven

De fluctuaties op de arbeidsmarkt zijn enorm grillig. Waar tot voor kort nog nauwelijks stages of leerbanen te krijgen waren, is dat nu zeer snel aan het veranderen. Het sterkst is dat zichtbaar bij de bbl-opleidingen die economisch het meest gevoelig zijn. Daarnaast beperkt de invloed en interesse van het bedrijfsleven zich vaak tot de inhoud van het kwalificatiedossier en de examinering. Het is daarom van belang alle opleidingen zo praktijkgericht mogelijk vorm te geven, om onderwijsinhoudelijk minder afhankelijk te zijn van de inzet en bijdrage van bedrijven (via bbl-banen of via de inzet van apparatuur). Samenwerking met het bedrijfsleven blijft voorop staan. Het meedenken over en het faciliteren van het onderwijsprogramma kunnen we in sommige sectoren versterkten. Ook op het gebied van levensecht leren in de bol-opleiding is goede samenwerking tussen leraren en bedrijfsleven van belang.

De (mogelijke) gevolgen van corona

De belangrijkste risico’s die voortvloeien uit de huidige onzekere situatie door corona zijn:

  • Verzorgen van onderwijs op afstand: De kernactiviteit van het college, het verzorgen van onderwijs, kan niet op de reguliere wijze plaatsvinden. In versneld tempo troffen we maatregelen om leren op afstand mogelijk te maken, waarbij we krachten en expertises bundelden. Voor leerlingen en studenten die niet beschikten over de juiste devices om digitaal onderwijs te volgen troffen we (extern gefinancierde) voorzieningen.
  • Welzijn van leerlingen en studenten: Leerkrachten houden op afstand contact met individuele leerlingen en studenten. We zijn ons ervan bewust dat dit verre van optimaal is, maar het is op dit moment het maximaal haalbare.
  • Problematiek inzake het bekostigingsonderzoek: Onduidelijkheid over aangepaste wet- en regelgeving vanuit het ministerie.
  • Onrechtmatigheden: Doordat we niet altijd de reguliere processen kunnen volgen, is er een mogelijk risico op onrechtmatige bestedingen.
  • Thuiswerken: Veel thuiswerkplekken voldoen niet aan de arbo-normen, wat kan leiden tot lichamelijke klachten. Daarnaast brengt thuiswerken risico’s met zich mee ten aanzien van informatiebeveiliging.

Volgend hoofdstuk: 6 Jaarrekening